Ga naar de hoofdinhoud

Molenspreuken

Van "De Lachende Molen"

Ga naar het project

Hij draait gelijk een molen

Hij draait naar alle winden

Zijn molen draait niet (zijn zaken lukken niet)

Dat is koren op zijn molen (dat komt hem van pas)

Daar is wat op den molen (daar is wat op handen)

Het koren van den molen zenden (de klanten verjagen)

Zijn molen naar den wind zetten (zich gedragen naar de omstandigheden)

Een slag van de molen krijgen

De meisjes hun molen staat nooit stil (ze praten gedurig)

Hij stond daar te gapen gelijk een molenpoort

Hij stond daar met zijn armen te zwaaien gelijk molenwieken

De mulder verdrinken (wordt gezegd als men te veel water bij het meel voor broodbereiding, of bij pleister, cement, kalk gegoten heeft)

Laat dat God en de Maalder scheiden (als men niet goed weet wat doen in een zaak)

Als een muis in den meelzak gevallen is en zich wit bestoven ziet, meent ze dat ze de maalder zelf is (past men toe op mensen die een hoge dunk van zichzelf hebben).

Gods molen maalt langzaam maar fijn

Die deur staat molenzeil (is bovenaan wat verwrongen zoals een molenwiek)

Dat is molenwerk (sterk timmerwerk)

Traagzaam maar zeker, gelijk de molenmakers (molenmakers leveren stevig werk, maar ze nemen hun tijd om na te denken)

Als het op Sint-Blasius (3 febr.) regent en waait, zeven weken lang de wind- en watermolen draait.

Men vindt geen molenaarshaan of hij eet gestolen graan.

De molen kruipt rond, is aan ’t vijlen, maalt koffie

‘ter nis gene wind, ‘ken kan nie moalen

Het hekken naar de wind hangen

In storm, donder en hagelvlagen moet ik hier mijn leven wagen, en in lege tijden moet ik mijn leven slijten

Men moet zeilen terwijl de wind waait

‘k mocht er drie scheppen, zei de molenaar en hij schepte er zesse

Wind in de nacht, water in de gracht

Wie winden zaait, zal stormen malen

Het is stil waar het nooit waait

In ’t langen van de dagen is er altijd wind

Liegen dat de molens draaien

Molenaars zwijns zijn gauwe vet

Hij heeft een slag van de molen

Lopende wind is staande weder

Op Sint-Benooi de wind in ’t noord, ’t gaat zo zeven weken voort


Ik vraag mij af, met angst in ’t herte

Hoe het de mulder zal vergaan

Als dienen schepper, met zijnen schepper

Voor scheppers rechterstoel zal staan


Krimpende winden en uitgaande vrouwen

Zijn niet te betrouwen

Want daar is geen huis mee te houden


Zuidoostenwind in den morgen

Is regen voor den avond


Geen maalder die gemakkelijk in de hemel geraakt.

Voor de maalders hangt er in de hemel een hesp: ze is nog altijd niet begonnen.


1 april-grap: de kinderen naar de molen sturen om de stenen van de koffiemolen te laten scherpen.


Wanneer staat de molenaar zonder hoofd in de molen?

Als hij door het loergat kijkt.


Waarom kijkt de maalder door het loergat?

Omdat hij niet doorheen de planken kan kijken.


Een molen is zoals een vrouw. Er mankeert altijd iets aan.


Elkeen trekt het water naar zijn eigen molen


Die in de molen komt, wordt allicht bestoven (elke onderneming heeft haar eigen risico’s)


Wie niet wil wit worden, moet uit de molen blijven


Hij wil molenstenen doen zwemmen (iets onmogelijks doen)


Een draaiende molen is als een vrouw: eens daarmee getrouwd, mag je ze niet alleen laten.

Reacties

Reageren in dit project is momenteel uitgeschakeld.
Totaal aantal likes: 0, totaal aantal dislikes: 0
. Log in om te reageren.

Delen

Geplaatst door

Anoniem op 18 maart 2026

Huidige status

voorgesteld