Kinderverhalen
Van "De Lachende Molen"
Ga naar het project
Waarom molenaars niet in de hel komen
Er was eens een tijd dat het slecht ging met de molenaars. Zo slecht dat een van hen zijn ziel wou verkopen aan de duivel in ruil voor zeven vette jaren.
De molenaar had het zeven jaar goed. Hij at en dronk en deed wat hij wou.
Na die zeven jaar stond de duivel weer aan de molendeur. Die vroeg aan de molenaar: “Ben je klaar, molenaar? Je verkocht jouw ziel aan de duivel en nu moet je mee.” “tja, ik zal wel moeten”, zei de molenaar.
De duivel stopte de molenaar in een zak en vertrok. Na een eindje komt hij aan een cafeetje. Hij zet de zak met de molenaar buiten op de stoep en gaat binnen iets drinken.
De molenaar zit ondertussen te kreunen en te wenen in zijn zak. Plots komt er een herder voorbij. Die doet de zak open en ziet de molenaar zitten. De molenaar vertelt zijn verhaal aan de herder. De herder krijgt medelijden met de molenaar. De (slimme) molenaar heeft een fantastisch idee. “Steek jouw hond in de zak”, zegt hij tegen de herder. Daarna maken ze zich beiden uit de voeten.
De duivel komt buiten, weet van niets, pakt de zak op en stapt naar de hel. Daar doet de duivel de zak open. De hond springt eruit, blaft en valt alle duivels en duivelinnen aan, bijt in hun benen…
De opperduivel kan de hond uiteindelijk wegjagen en als hij even heeft gerust, roept hij: “hier komt nooit meer een molenaar binnen!”
De gouddorstige molenaar
Driehonderd jaar geleden stond hier ook al een windmolen. De molenaar, een zekere Goudsblomme, was verschrikkelijk gierig. Hij droomde alleen maar van goud en hij schepte altijd maar dieper in de zak van de klant.
Op een dag waaide het zeer hard zodat de wieken heel snel draaiden, zo snel dat de ene zak na de andere met meel werd gevuld. “Leve de wind”, juichte Goudsblomme. “Laat het maar waaien. Het kan me niet schelen dat de daken van de huizen vliegen, dat de schepen vergaan, dat bomen uitwaaien, dat de Molenbeek overstroomt…”.
Het is alsof de wind zijn woorden gehoord had. De wind blies nog harder. De molenstenen draaiden nog sneller, de windmolen kraakte in al zijn voegen en op den duur lag heel de molen vol meel. Toch was de hebzuchtige mulder nog niet tevreden: “Ik wou dat dit allemaal goud was, dan zou ik pas rijk zijn”.
Hij had die woorden nog maar juist uitgesproken toen er van achter de steenkuip een schaterlach weerklonk. Tegelijk zag Goudsblomme dat al het meel in zijn molen geel was geworden. Hij kon zijn ogen niet geloven. Hij stak zijn hand in de meelzak en zag dat al zijn meel goud was geworden. Nooit was de molenaar zo blij geweest. Hij nam een beetje goud en ging naar buiten want hij wou dat goud zien blinken in de zon. Toen zag hij dat zijn molen helemaal omgeven was door water. De molenbeek was overstroomd en hij kon dus niet meer naar huis. De molenaar zat daar nu met al zijn goud.
Drie dagen later zat Goudsblomme nog altijd op zijn molen en hij had vreselijke honger. Hij vond geen enkele graankorrel meer, geen stofje meel, want er kwam alleen nog maar goud uit zijn meelgoot.
Toen hoorde hij weer die duivelse schaterlach. “Wel, Goudsblomme, bak nu maar eens een brood met al dat goud!”. Toen besefte de molenaar hoe dom hij was geweest.
Weken later, toen het water was weggetrokken, kwamen de mensen weer naar de molen. Ze vonden de molenaar op zijn molen, op een grote berg. Maar de molenaar was dood, gestorven van de honger.
Moraal: wees tevreden met wat je hebt.
Anekdotes…We krijgen er nooit genoeg van.
Filip Devoldere
We weten het allemaal: onze ‘oude’ beroepswind- en watermolenaars zijn zo goed als niet meer onder ons. Natuurlijk is dit jammer. Al kan niemand de tijd tegenhouden. Zo gaat het nu eenmaal. Een feit dat me iets verder liet denken trouwens. Want wie die oude beroepsmolenaars heeft gekend, weet maar al te goed hoe graag en boeiend ze over molens en molenaspecten konden en kunnen vertellen. Menig vroegere molenaar – er zijn er op vandaag gelukkig nog enkele –deed/doet eigenlijk niets liever in zijn oude dag dan verhalen en anekdotes van vroeger ophalen.
Wie van ons, molenliefhebbers, heeft ooit dergelijke anekdotes en verhalen horen vertellen? Inderdaad, iedereen die ooit de moeite nam om die mensen te làten vertellen. “Oral history” (mondelinge geschiedenis) noemen Engelstaligen dit. Geschiedkundigen hechten hier heel wat belang aan. Niet ten onrechte. Er is in het algemeen, en op en rond molens in het bijzonder, onnoemelijk veel gebeurd dat zich heel vaak in de grootste anonimiteit afspeelde. Het ging nooit om koningen en keizers, weetjewel. En dus haalde het wedervaren van de gewone man haast nooit de geschiedenisboeken.
Om nu zoveel mogelijk van die molenanekdotes nog net voordat ze dreigen voorgoed in de vergetelheid te geraken, bij de staart te vatten (een uitdrukking die ik met de beste herinnering ontleen aan wijlen molinoloog Paul Bauters), wil ik hierbij een oproep doen:
Beste vrijwillig molenaar, molenaar in spe, molenliefhebber, neem eens je pen. Zet een of meer van die anekdotes van vroegere molenaars eens op papier. Stuur ze vooral op naar onze redactie. Het zou heel mooi zijn mochten we in de komende nummers die boeiende verhalen van vroegere molenaars, en van al dan niet op vandaag nog bestaande molens, kunnen lezen en bewaren. Ja toch?
Oh ja, nog iets, er is nog de kers op de taart: wedden dat we in veel gevallen als vrijwillig molenaar nog heel wat nuttige weetjes kunnen opsteken uit die boeiende en leerzame verhalen?
Anekdote uit de jaren 1890: duivelssage – hoe een molenaar de duivel te slim af was…
Bron/zegsvrouw: het verhaal dat we deze keer beschrijven, werd ons niet verteld door een molenaar, maar door wijlen boerin Gerarda Dewitte (°Ardooie, 1904), mijn grootmoeder aan moederszijde, die toen zij het mij persoonlijk vertelde 80 jaar was. Mijn grootmoeder had indertijd het verhaal op haar beurt meermaals thuis in het West-Vlaamse Ardooie-Het-Veld horen vertellen door haar eigen moeder toen ze nog een kind was (= omstreeks 1910).
Eerst een woordje uitleg …
Vooraleer we de eigenlijke sage laten volgen, eerst nog wat over dit type verhaal. Het gaat hier dus om een sage, een traditioneel volksverhaal dat tot het volksgeloof behoort. Sagen bestonden (in hun bloeitijd) meestal (nog) niet op papier. Ze werden daarentegen bijna uitsluitend via mondelinge overlevering, van vrij ver in de geschiedenis al, doorgegeven, meestal binnen het gezin. Sagen werden traditioneel net als sprookjes niet zelden op donkere winteravonden thuis bij de haard verteld, want dat was altijd het ogenblik bij uitstek dat onze voorouders tot vertellen overgingen.
Sagen handelen heel vaak over angstaanjagende, bovennatuurlijke elementen. In de meeste gevallen komen er figuren in voor als tovenaars, mensen die over bovennatuurlijke krachten beschikken, spoken, weervolven, duivels enz. Sagen werden vroeger in principe als waarheid verteld. Zowel de vertellers als de toehoorders ervaarden deze verhalen indertijd als wat wij nu non-fictie zouden noemen.
Een sage is weliswaar verzonnen, maar bevat doorgaans een kern van waarheid. Heel vaak ook wordt door middel van de sage getracht een verschijnsel of gebeurtenis op verhalende wijze te verklaren.
De eigenlijke sage
Om het verhalende karakter van de sage nog beter op te roepen, geven we de vertelling weer in een soort ‘naar het Nederlands geschaafd dialect’. Dat doet de sage als vertelsel-bij-uitstek alle eer aan.Ze werd ons verteld als volgt:
“d’Er was ne keer ne pachter-meulenare die ferm in de miserie zat. Al enige jaren kwam er geen enen boer nog bij hem langs, hij had al lang niets meer te malen. Op den duur wierd het zelfs zo erg dat hij meer dan twee jaren pacht achterstond. Hij stond op het punt zijnen molen kwijt te spelen en was den wanhoop nabij.
Hij peisde hele dagen wat hij kon doen om zijne problemen op te lossen, en hij deed vanalles, maar niets hielp. Op zekeren dag vernam hij echter dat de schaper(1), die vaak met zijn kudde door de gemene weiden(2) van het dorp trok, voor zulke zaken wel raad wist, en hij zocht hem diezelfden dag al op. Hij deed hem zijn beklag en eens zijn miserie aan den schaper goed en wel uitgeleid, wist deze laatste al vlug hoe het probleem kon worden opgelost: Och, zei den schaper, ge moet u geene zorgen maken. Ik weet van enen, die er al velen heeft deuregeholpen. Dat ge ze allemale moeste t’hoope zien die hij al gered heeft, ge zoudt verschieten!
Awel, zei de meulenare, moest ge da voor mij kunnen schaveelen(3), ‘k zou u tot in den eeuwigheid dankbaar zijn.
Awel ’t is goed zei de schaper, ge meugt op mij rekenen. Juust één ding: ge gaat moeten een papiertje tekenen voor zoveel jaren verre, en nadien is uw ziele dan voor hem. De meulenare, dit horende, was daar niet al te blijde over. Maar ook al stond dit hem niet al te veel aan, hij verkoos om hier niets op te zeggen, maar peisde daar toch wel diepe over.
Den dag daarna kwam er nen deftigen here de molenwal opgestapt. Hij stapte direct den steeger(4) op. Boven op den maalzolder gekomen zei dien here, die den duvel verkleed in schoone kleren was, tegen de meulenare: ja maat, ge zit in slechte papieren, hé? Maar kijk, als ge wilt, help ik u voor den tijd van vijfentwintig jaren. Ge gaat leven in rijkdom en overvloed, en daarachter ga je mee in mijnen dienst. ’t Akkoord?
De meulenare vond dat hij niet anders kon dan aanveerden. Hij sloeg direct toe en tekende ’t papiertje dat dien here hem vorenhield.
Op slag kost hij al zijne schulden betalen, en zwom hij in ’t geld. En iedere keer dat het waaide, liet hij zijne meulen draaien, opdat het de mensen niet zou opvallen dat hij eene zee aan geld had zonder te werken.
Maar de jaren gaan altijd zeere, en de vijfentwintig jaar waren rap omme. De meulenare wist dat het moment van de afsprake gauwe naderde, en omdat hij benauwd was voor hetgeen ging komen, ging hij bij den paster te rade. Ge moet veel betrouwen hebben op Onze Lieven Heere en Onze Lieve Vrouwe, zei den paster hem, ge moet vele lezen(5), en te gepasten tijde zullen zij u wel helpen.
Dat voldeed de meulenare lijk maar halvelinge. Wacht, peisde hij, den schaper zal mij verzekers beter kunnen helpen, en daarbij, ’t is verdikke zijne schuld dat ik nu uut ne vuilen lepel moete eten. En hij zocht den schaper op.
Bij den schaper gekomen, wist die den meulenare te zeggen: Kijk, ’t is nie moeilijk, meulenare. Als den duvel komt om uwe ziele te halen, moet ge juuste maar zien dat ge hem terstond een werk te doene geeft dat hij niet kan uitvoeren. Maar let op, ’t is goe meugelijk dat hij in een heel andere gedaante gaat komen dan toen hij u kwam helpen vijfentwintig jaar geleden. Maar als ge hem nen opdracht geeft, dien hij niet uitvoeren kan, zal hij direct zonder resultaat were moeten vertrekken, en ge zijt meteen van hem en van alles af.
Jamaar, vroeg den meulenare, wat moet ik hem doen doene om zeker te zijn dat hij ’t niet kan?
Wel, weet ge wat, antwoordde den schaper, zet ne grote zak lijnzaad gereed op uwe meulen, en als hij komt, ge smijt heel dien zak in ene keer uit, vanuit uwe meulen naar beneên, roepende dat hij ieder zaadje weer in den zak moet steken. Ge kunt wel peizen, al die kleene zaadjes gaat hij nooit allemale kunnen werevinden en in den zak were krijgen. Verstaat ge?
De meulenare zei dat hij het begreep, en deed perfect zijn voorbereidinge op den meulen.
Toen de vijfentwintig jaar precies omme waren, kwamen nu op slag van ten twaalven te middernachte een hele bende kavezwarte(6) raven den meulen opgevlogen, al geweldig lelijk doende.
De meulenare gruwde ervan, maar de woorden van den schaper indachtig, klaaide hij direct heel dienen zak lijnzaad naar beneden, roepende: raap de die maar ne keer allemaal were op en doe ze were in den zak!
’t Geruchte van die bende veugels viel terstond stille, en tot de meulenare zijn grote verwonderinge zag hij hoe de raven in een-twee-drie alle zaadjes opnamen en in den zak vulden. Tot het laatste zaadje toe!
De meulenare kreeg terstond angstzweet. Maar hij was toch nog scherp van zin en wierp nu ne hele zak tarwemeel naar beneên, weer roepende: raap dat allemale maar ne keer were in den zak! Maar were raapten die veugels lijk betoverd, en den zak vulde zienderogen.
Gepijnd lijk duzend zag de meulenare dit gebeuren, en van de spanninge liet hij sebiet eene ferme, luide scheet. Terstond riep hij: En raapt den dienen ook maar ne keer op als ge kunt ! Maar dit was boven den macht van die duvels natuurlijk. Direct maakten ze leven(7) lijk een oordeel en vlogen rap were weg naar vanwaar dat ze gekomen waren... En den meulenare, die was gered deur zijne slimmigheid!
