De Folklore van de windmolens
Van "De Lachende Molen"
Ga naar het project
De molenaar behoorde eertijds tot de belangrijkste dorpelingen. Men noemde hem niet bij zijn naam, maar men zei gewoon: de maalder van Pamel, van Herzele enz., zoals we dat nu nog doen voor de pastoor en de burgemeester. Het is eigenaardig dat in molenaarsfamilies zoveel pastoors worden aangetroffen.
Aangezien de molenaar voortdurend het weer bekijkt en bestudeert, is het niet te verwonderen dat hij de welverdiende faam geniet een onfeilbaar weerprofeet te zijn. Vele boeren hebben meer vertrouwen in de weerkennis van de molenaar dan in de barometer en de weersvoorspellingen in de krant. Moet de boer een reis ondernemen, dan gaat hij niet zelden bij de molenaar vernemen wat voor weer het gaat worden.
De veranderingen in het weer ruikt en voelt hij aan zijn meel, hij hoort het aan het schuifelen van de wind in de zeilen, hij ziet het aan de windwijzer op de kap van zijn molen, hij smaakt het aan zijn pruimtabak, hij wordt het gewaar aan zijn eksterogen.
Heeft hij regen voorspeld, en regent het toch niet, dan heeft het zeker ginder verre in het westen gegoten, ofwel kon de vlaag de berg niet op.
De molenaar leest alle dagen de gazet. Hij is op de hoogte van de politiek, weet te praten over de oorlogen alsof hij heeft meegevochten. Hij zegt zijn gedacht over de oogst, het dure leven, de koebeesten, hij kent al de koppels van het dorp enz. Als ge van de molen komt, brengt ge altijd nieuws naar huis.
Op de ogenblikken dat de wind gelijk is en zonder stoten, weegt hij spaarzaam de zakken af, schrijft er met houtskool die hij met wat speeksel nat heeft gemaakt enige cijfers op in maalderslatijn dat hij alleen verstaat. Een streepje voor het cijfer (-59) betekent scherp bijna zoveel kilo. Een streepje achter het cijfer (59-) betekent gewillig, een beetje meer. Een kleine o voor het cijfer wil zeggen: een halve kilo meer (o 59). Sommige molenaars vinden eigen tekens uit.
De namen van slechte betalers worden met krijt op de molendeur of op een balk geschreven.
De boeren beweren dat de molenaar alleen zweet bij het eten: eten dat ge zweet, en werken dat ge kou krijgt; dat hij van geen zonneslag zal sterven en dat hij te benijden is omdat hij altijd in het droge en de lommerte staat.
Maar toch heeft de molenaar het druk. Na lange windstilte moet hij ’s nachts draaien: dan is er gewoonlijk een beetje bergwind, en de schraalheid en de magerheid van de lucht zijn voldoende om de molen in beweging te brengen.
De molenaar kan ook ’s zondags een potteken wegzetten. De maalder kende zijn huizen waar hij het molenstof van heel de week kon doorspoelen.
